De mythe van de kloof - deel 1

Wanneer men het heeft over de kloof in samenhang met intelligentie, heeft men het over een discrepantie tussen de verbale en performale capaciteiten van een kind. En dan bedoelt men dat het verschil tussen het verbale en het performale IQ meer dan 12 punten bedraagt. Er wordt ook allerlei gedrag toegeschreven aan deze kloof. Op grond van dit gedrag laat men soms kinderen testen om vast te kunnen stellen hoe groot de kloof is. Soms is er van een kloof dan helemaal geen sprake, andere keren blijkt er inderdaad sprake te zijn van de veronderstelde kloof. Het is dan belangrijk om te onderzoeken waardoor die kloof veroorzaakt wordt. Men spreekt van een v/P kloof wanneer de verbale score lager is dan de performale en men spreekt van een V/p kloof wanneer de performale score belangrijk lager uitviel dan de verbale. Bij hoogbegaafde kinderen lijkt het vaker voor te komen dat de performale score lager is dan de verbale. Daarom zal dat eerst aan de orde komen. Er wordt dan ingegaan op de vraag wat een mogelijke oorzaak zou kunnen zijn voor die lagere performale score.

De performale score kan gedrukt worden wanneer een kind erg perfectionistisch is ingesteld. Juist omdat bij die onderdelen de klok een grote rol speelt en dat bemerkt het kind zelf ook. Wanneer een kind erg faalangstig is, kan dat ook een negatieve invloed hebben op de performale score, want het kind kan daarbij volledig blokkeren, vaak ook weer vanwege die klok. Kinderen die er moeite mee hebben om onder druk te presteren kunnen geblokkeerd raken wanneer ze bemerken dat er een stopwatch wordt gehanteerd. Ook op school kan het zijn dat dit kind niet goed kan presteren onder druk. Het gewone schoolwerk is allemaal prima in orde, maar toetsen, repetities en overhoringen worden vaak veel minder goed gemaakt dan verwacht zou kunnen worden op grond van de resultaten van het gewone schoolwerk.

De performale onderdelen van een test kunnen niet geoefend worden. Doolhoven heeft het kind wellicht vaker gemaakt, maar voor de rest is het allemaal onbekend en dan kan het kind ook niet zelf controleren, niet zelf weten of iets goed of fout is. Dat kan gevoelens van onzekerheid teweeg brengen. Die onzekerheid kan een lagere score veroorzaken. Het mechanisme van perfectionisme, faalangst en onderpresteren kan tijdens het afnemen van de test een verlammende invloed hebben op het kind. En net als op school kunnen de resultaten dan flink tegenvallen. Allemaal psychologische oorzaken dus waardoor een in potentie hoogbegaafd kind op de performale onderdelen laag kan scoren. De test kan dan toch goed geïnterpreteerd worden wanneer men er achter komt waardoor het kind performaal zoveel lager scoort dan verbaal.

Een andere reden waardoor een kind performaal belangrijk lager kan scoren dan verbaal, is gelegen in de sensomotorische ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling niet goed is verlopen kan dat van invloed zijn op veel cognitieve processen. Naast fysieke onhandigheid is het kind ook niet goed in staat tot het automatiseren van allerlei processen. Dat gaat op voor motorische vaardigheden, maar ook voor cognitieve vaardigheden zoals de beroemde dan wel beruchte tafels van vermenigvuldiging. Het denken en handelen lijkt niet goed op elkaar afgestemd te zijn. Het kind weet heel veel, maar kan dat wat hij/zij weet niet in handelen omzetten. Dit kan zich vertalen in een lagere performale dan verbale score. Vaak is het zo dat sensomotorische integratie therapie verbetering in de situatie brengt. Wanneer men dan na verloop van tijd nog eens test, kan blijken dat de kloof veel minder breed is geworden.

Er kan ook een ontwikkelingsstoornis ten grondslag liggen aan een lagere performale dan verbale score. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan NLD (dit is een niet verbale leerstoornis). Wanneer men naast de V/p kloof opmerkt dat een kind onder andere een laag tempo heeft, weinig initiatief vertoont, veel driftbuien heeft, lui aangelegd lijkt te zijn, weinig ondernemend is, dan kan het heel goed zijn dat het gaat om een kind met een ontwikkelingsstoornis zoals NLD. Wanneer een grote discrepantie tussen de verbale en performale score samengaat met leer- en of gedragsproblemen, is het daarom altijd van belang om verder te diagnosticeren.

Het kan voor het kind erg nadelig zijn wanneer men ervan uit gaat dat het hoogbegaafd is, maar met een kloof, terwijl er sprake is van een heuse ontwikkelingsstoornis. Een kind met bijvoorbeeld NLD heeft een heel aanpak nodig dan een hoogbegaafd kind dat om welke reden dan ook lager heeft gescoord op de performale onderdelen van een test.

Een kind met NLD heeft veel oefening en herhaling nodig. Wanneer men dan denkt dat het om een hoogbegaafd kind gaat dat te weinig uitdaging krijgt en daarom minder moet oefenen en herhalen en waar men moeilijker werk aan moet geven, een kind dat misschien zelfs moet versnellen, dan maakt men een kapitale vergissing en die gaat ten koste van het kind. Net zo’n kapitale vergissing als wanneer men een hoogbegaafd kind eindeloos laat oefenen, veel laat herhalen en aanspreekt op een te laag cognitief niveau.

Voor de duidelijkheid, bij NLD gaat het vaak om kinderen die een heel vlotte ontwikkeling doormaken totdat ze een jaar of vier zijn en naar school gaan. Ze zijn vooral verbaal ingesteld, kunnen vaak al op jonge leeftijd heel goed praten, ook moeilijke woorden en uitdrukkingen gebruiken, maar… bij goede observatie bemerkt men dat het om papagaaien gaat, niet om creatief taalgebruik. Deze kinderen zijn vaak later met de motorische ontwikkeling en ze tonen weinig initiatief en zijn weinig ondernemend. Ze lijken erg gehoorzaam te zijn, maar dat komt dan vooral doordat ze zich letterlijk houden aan wat hen gezegd is, dus zegt men: “blijf hier zitten” dan komt het kind nooit meer van z’n plek, tenzij het hem/haar gezegd wordt.

NLD is een stoornis in/van de hersenen. Aan de rechterkant van de hersenen bevindt zich te weinig witte stof en die witte stof is nodig om te kunnen automatiseren. Na het automatiseren gaat het naar de linkerhersenhelft. Dat is even heel simplistisch voorgesteld. Bij NLD moet een kind dus heel veel oefenen om zich vaardigheden eigen te maken. Dat gaat op voor motorische vaardigheden zoals lopen, fietsen, veters strikken, aan- en uitkleden enz. Maar dat gaat ook op voor het leren van letters en woorden, de tafels enz. enz. Wanneer een kind dan iets heeft geleerd, dan zit het er ook goed in, want de linkerhersenhelft is in orde.

Zie hier het gevaar wanneer een kloof ten onrechte wordt gezien als een uiting van hoogbegaafdheid. Dan worden er wel erg hoge eisen gesteld aan een kind en dan kan het wel eens helemaal mis gaan. Dan wordt een kind steeds driftiger, krijgt het leer- en/of gedragsproblemen, wordt het erg onzeker van zichzelf en daarbij lijkt men maar steeds te verwachten dat dit kind het wel kan wanneer het maar zou willen. Wanneer men dan ook nog het oefenen en herhalen achterwege laat, dan wordt het voor dit kind allemaal wel erg moeilijk gemaakt.

Men kan zich afvragen of een kloof een uiting is van een bepaald temperament of karakter, of dat een kloof een symptoom is van een psychologisch probleem of van een ontwikkelingsstoornis.

Men kan zich ook afvragen of de kloof een oorzaak is voor bepaalde leer- en/of gedragsproblemen, of juist het gevolg. Daar waar de kloof op zich de oorzaak is van de problemen is er wellicht sprake van een ontwikkelingsstoornis en daar waar de kloof het gevolg is van leer- en/of gedragsproblemen is er wellicht sprake van een psychologisch probleem.

Meer (andere) artikelen kunt u vinden in de readers van OMNINO (zie publicaties).


  • Ineke Teisman zegt:

    Geachte/Beste Leontien,

    Uw vraag heeft vooral te maken met de ontwikkeling van uw oudste zoon en daar zal mijn antwoord dan ook op gericht zijn. Zijn PIQ ligt zeer dicht bij het gemiddelde van 100 en daarmee zou hij in staat moeten zijn om op een gemiddeld niveau de leerstof te kunnen begrijpen en te verwerken. Er is echter een behoorlijke discrepantie tussen zijn VIQ en PIQ en daarbij wordt zijn VIQ kennelijk behoorlijk gedrukt door de subtest rekenen. Dit kan allerlei oorzaken hebben, maar voor nu is het vooral belangrijk dit vastgesteld te hebben. Wel is het goed u te bedenken dat dezelfde oorzaken voor een laag PIQ ook opgaan voor de subtest rekenen.
    Wanneer een score vooral gedrukt wordt door één bepaalde subtest, is het goed de gemiddelde score tevens te berekenen zonder deze subtest. Voor uw zoon zou dit in kunnen houden dat zijn verbale score, zonder de subtest rekenen, op hoogbegaafd niveau is.
    Ik heb uiteraard veel te weinig achtergrondinformatie, maar op basis van wat u beschrijft zou ik vooral eens kijken naar hoe de ontwikkeling van uw oudste is verlopen. Was hij een baby/peuter/kleuter die weinig oefende, die veel vaardigheden in één keer onder de knie wist te krijgen, die iets pas deed wanneer hij zeker wist het ook te kunnen, dan zou het kunnen zijn dat de sensomotorische integratie niet optimaal is verlopen en daar kan iets aan gebeuren middels sensomotorische integratie therapie. Wanneer u een fysiotherapeut kiest die bekend is met dit fenomeen, dan bestaat de kans dat uw zoon hiermee goed geholpen zou kunnen worden.
    Uit wat u schrijft zou opgemaakt kunnen worden dat bij uw zoon de gevarendriehoek van faalangst, perfectionisme en onderpresteren een rol speelt en dit kan niet alleen van invloed zijn op zijn IQ-score, maar vooral ook op zijn zelfbeeld. Er kan daar sprake zijn van een zichzelf versterkend proces, te weten: een kind heeft weinig oefening nodig om allerlei vaardigheden onder de knie te krijgen, daardoor krijgt het een beeld van zichzelf als van een kind dat geen fouten maakt. Vervolgens wordt hij bang te falen en om te voorkomen dat hij faalt, waagt hij zich niet aan dingen waar hij mogelijk voor moet oefenen, en dat wat hij wel kan, doet hij steeds langzamer om de voorkomen dat hij fouten zal maken. Onderpresteren is hiermee een feit.

    Wanneer naast een IQ-test tevens een persoonlijkheidsonderzoek wordt gedaan, dan is het mogelijk om inzicht te krijgen in o.a. hoe een kind over zichzelf en zijn omgeving denkt. Met deze kennis zou men de score van een IQ-test dan beter kunnen duiden. Een IQ-test is en blijft een diagnostisch middel en wanneer de uitslag meer vragen oproept dan er beantwoord kunnen worden, is het goed nader onderzoek te doen.

    Vriendelijke groeten,

    Ineke Teisman
    http://www.omnino.nl

  • Leontien zegt:

    Geachte meneer mevrouw,
    In reactie op de mythe van de kloof deel I heb ik een vraag.
    Wij hebben twee zoontjes van 9 en 6 jaar (groep 5 en groep 2). Zelf hebben we altijd gedacht dat ze allebei slim zijn, maar de oudste verbaal beter is en de jongste veel inzicht in technische zaken heeft.
    De oudste begon goed op school, in de loop van groep 4 begon hij het minder goed te doen bij rekenen. Verder werkte hij ook bij taalwerkjes langzaam. Hij klaagde over de saaiheid van de leerstof. In jan dit jaar, groep 5, hebben we besloten hem en zijn broertje te laten testen. Mede omdat de juffrouw van de oudste ook niet goed begreep waarom het moeizaam verliep. Ze dacht dat hij op een andere mannier denkt, ze vindt hem creatief. De tafels leren ging moeizaam, we hebbenveel geoefend, mijn man en ik hebben ze ook nooit goed geleerd overigens. Tot onze stomme verbazing kwam er uit zijn Wisc een enorme discrepantie tussen verbaal IQ en performaal IQ. (verbaal 126, waarbij rekenen de zaak fors drukt) en performaal 99. (bij de jongste was ook discrepant de andere kant op Performaal 160 en verbaal 110 maar dit hadden we min of meer verwacht). Daarbij kregen we adviezen dat we onze oudste zoon thuis flink moesten structureren en dagschema’s maken zodat hij meer overzicht zou krijgen.
    Toen schrokken we, hij heeft namelijk zelf erg veel overzicht. Ook werd even gedacht aan NLD. Daar voldeed hij niet aan, maar steeds werd benadrukt dat hij complexe situaties niet zou kunnen overzien. Verder hebben we onze zoon natuurlijk zich zien ontwikkelen en was de jongste sneller met puzzels en constructiespeelgoed, echter de oudste was hielp over het algemeen ook zijn vriendjes.
    We staan voor alle opties open maar hebben het wel nodig dat iemand ons uitlegt waardoor het verschil hoe wij onze zoon inschatten zo groot is met de uitslag van de test. Zien wij van alles over het hoofd? Zelf herkennen we uit het artikel de wat moeizame motoriek en faalangstige inslag ( hij kon in een keer lopen en durfde dit de eerste week niet als er anderen dan mijn man en ik erbij waren bv)
    Wat is de volgende stap die u ons kunt adviseren.
    Met vriendelijke groet,
    Leontien

 pagina 1 van 3  1  2  3 » volgende

Reageer op dit artikel

(je naam verschijnt boven je reactie, je emailadres is alleen bekend bij Omnino)