OMNINO komt uit het Latijn en betekent zoiets als het geheel of geheel en al.
Dit geeft precies de kern weer van deze visie; nl. de mens is één ondeelbaar geheel.
Kinderen worden geboren met een bepaalde persoonlijkheid en bepaalde potentiële mogelijkheden. Hoe die persoonlijkheid zich gaat ontwikkelen hangt voor een deel af van erfelijke dan wel aangeboren eigenschappen en voor een deel van het milieu waarin het kind opgroeit. Het milieu kan zowel een remmende als een stimulerende factor zijn ten aanzien van de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de mogelijkheden van het kind. Het kind is in voortdurende wisselwerking met z’n omgeving. En het kind wordt niet alleen beïnvloed door z’n omgeving, maar oefent daar zelf ook weer invloed op uit.
Er zijn zes gebieden (segmenten) die grote invloed hebben op de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind en die tevens voortdurend interacteren met elkaar. Als de ontwikkeling van het kind goed verloopt, dus wanneer de zes segmenten met elkaar in evenwicht zijn, kunnen we spreken van een optimale ontwikkeling.
Deze zes segmenten zijn:
Deze zes segmenten komen samen in het midden en hebben invloed op de vorming van de persoonlijkheid van het kind. Andersom beïnvloedt de persoonlijkheid duidelijk hoe het kind omgaat met elk van de segmenten.
Het is dus een interactief model. Normaal gesproken is het eerste milieu van het kind het gezin. Gezin en kind interacteren met elkaar, dat heeft invloed op zowel het gezin als de vorming van de persoonlijkheid van het kind. Hoe snel of langzaam een kind zich ontwikkelt hangt af van z’n intelligentie, z’n persoonlijkheid en de stimulering vanuit het milieu.
Ook de overige vier segmenten gaan hun rol spelen. De sociale vaardigheden die een kind al of niet ontwikkelt vinden hun oorsprong in het gezin. Het gezin heeft hierbij een grote voorbeeldfunctie. Het gezin staat niet los in de maatschappij maar heeft relaties met de maatschappij. Het kind leert van de sociale interacties tussen de gezinsleden onderling en tussen gezin en maatschappij. Hoe het kind z’n sociale vaardigheden gaat ontwikkelen hangt niet alleen af van het voorbeeld van het gezin, maar is ook afhankelijk van z’n sociale intelligentie. De mate van die sociale intelligentie stelt iemand in staat om communicatiestructuren te doorzien en daar op het eigen niveau mee om te gaan. Sociale intelligentie stelt iemand ook in staat om sociaal vaardig te zijn op een manier die goed is voor hemzelf zonder daarbij anderen te kort te doen. Dit noemt men sociale competentie. Wanneer een kind z’n intrede doet in de basisschool is z’n persoonlijkheid voor een groot deel al gevormd, maar dat neemt niet weg dat de school toch grote invloed uit kan oefenen op de verdere persoonlijkheidsvorming. Die invloed van school kan zowel positief als negatief zijn. Tegen de tijd dat een kind vier jaar is geworden hebben ouders vaak al een idee over de intellectuele capaciteiten van hun kind en zij stellen daar hun verwachtingen op in. De school kan die verwachtingen (in de loop der jaren) al of niet delen en het hangt zowel van de intelligentie als de sociale intelligentie van het kind af of het de verwachtingen van gezin en school op de juiste wijze weet in te schatten. Hoe het kind met de gestelde verwachtingen omgaat wordt naast z’n persoonlijkheid ook bepaald door z’n motivatie, welke overigens uit hemzelf moet komen (intrinsieke motivatie). Om op school goed te kunnen functioneren en te presteren is het niet alleen nodig over bepaalde intellectuele capaciteiten te beschikken, motivatie is minstens zo belangrijk. Maar ook hier is het geen éénrichtingsverkeer, noch het gezin, noch de school kunnen en mogen verwachten dat een kind gemotiveerd is voor schoolse zaken welke niet in overeenstemming zijn met de intellectuele capaciteiten van het kind.
Als laatste maar niet minst belangrijke kan genoemd worden het segment creativiteit. Creativiteit komt niet alleen tot uiting middels artistieke vaardigheden maar heeft betrekking op het hele denken. Creatief denken houdt in dat men originele oplossingen kan bedenken voor bestaande problemen en ook dat men meerdere oplossingen weet te bedenken voor hetzelfde probleem. Tevens is men hierdoor in staat problemen te onderkennen, vaak lang voordat iemand anders vermoedt dat er een probleem zou kunnen zijn. Het spreekt vanzelf dat creativiteit en intelligentie hand in hand gaan. Op welke wijze men problemen te lijf gaat en/of op welke wijze men zich creatief uit hangt helemaal af van de persoonlijkheid en hoe de segmenten daarmee en met elkaar interacteren. Men kan spreken van een optimale ontwikkeling wanneer de segmenten zich in de juiste verhouding tot elkaar ontwikkelen. Elk segment is dan als het ware even groot, er zijn dan zes gelijkzijdige driehoeken die zodanig gerangschikt kunnen worden dat er om de zes driehoeken heen een cirkel kan worden getrokken. In het midden van de cirkel bevindt zich de persoonlijkheid, welke harmonisch is wanneer er een cirkel kan worden getrokken en disharmonisch wanneer dit niet kan. Vanuit het midden interacteren de persoonlijkheid en de segmenten met elkaar. Wanneer iemand zich optimaal ontwikkelt, ontwikkelt hij zich ook maximaal. Ieder individu kent zijn eigen optimale en maximale ontwikkeling.
Volgens de OMNINO-visie is het dus mogelijk dat elk individu geheel tot ontwikkeling kan komen. Dit geldt voor zowel minderbegaafde, gemiddeld begaafde als hoogbegaafde individuen. Hoogbegaafde kinderen zijn anders dan andere kinderen, zij ontwikkelen zich dan ook anders dan andere kinderen. Het lijkt mij niet juist om in termen van meer of beter te spreken, maar van anders.